Planeet Continent Land Regio Stad Stadsdeel Wijk Bouwblok / Straat Gebouw Onderzoeks-instituten Universiteiten Regulerings-autoriteiten CorporateR&D Incubatie- envalorisatiecentra Toegepasteinnovatieplekken Hogescholen Consultancy-bedrijven Archieven, museaen bibliotheken Creatievewerkplaatsen Middelbarescholen Buurthuizen Basisscholen Third Places Carrier hotels Cable landingpoints InternetExchanges (IX) Landelijkecore-locaties Cloud-datacenters Metro-hubs RegionaleDatacenters Bedieningscentrainfrastructuur Wijkcentrales 4G/5G-antennes OpticalAggregation Points Internet of Thingsgateways Internet of Thingssensoren OperationalTechnology (OT) Bedrijven Huishoudens
Digitale informatie-infrastructuur
Sociale informatie-infrastructuur
Gebruikers

Interactieve infographic die schematisch het informatiemetabolisme van Amsterdam weergeeft. Blokjes en pijlen kunnen worden aangeklikt om meer informatie te verkrijgen.

Huishoudens

Huishoudens

Het huishouden kan zowel het begin- als het eindpunt van data zijn, omdat huishoudens zowel data produceren (bijv. een e-mail of een social-mediabericht) als consumeren (bijv. een zoekopdracht of stream). Apparaten zijn binnenshuis via een netwerkkabel (UTP) of via WiFi met een router verbonden. De router stuurt informatie van en naar de modem (hoewel beiden vaak in hetzelfde apparaat geïntegreerd zijn), die het binnenhuis-signaal omzet naar het signaal van het externe netwerk. In de meeste Amsterdamse huishoudens is dat glasvezel, waarbij een glasvezelmodem — de Optical Network Terminal (ONT) — elektrische signalen omzet in lichtsignalen en omgekeerd.

Daarnaast is het huishouden natuurlijk ook een plek waar informatie wordt opgeslagen. Zo hebben de meeste huishoudens wel een boekenkast, een archiefplank en een aantal harde schijven waarin (voor dat huishouden relevante) informatie ligt opgeslagen.

Bedrijven

Bedrijven

Bedrijven vormen een belangrijke bron van dataverkeer in de stad. MKB-bedrijven zijn doorgaans via een standaard internetverbinding op een wijkcentrale aangesloten, vergelijkbaar met huishoudens. Grotere organisaties, zoals kantoren, campussen en instellingen, hebben vaak snellere of meervoudige verbindingen die direct op een metro-hub uitkomen, zodat zij hogere capaciteit en betrouwbaarheid krijgen. Veel bedrijven — zoals horeca, winkels, musea en publieke instellingen — bieden daarnaast WiFi aan voor bezoekers of klanten. Deze WiFi-netwerken draaien op de eigen internetverbinding van het bedrijf en sturen hun verkeer via dezelfde infrastructuur richting wijkcentrales en het hogere netwerk.

Access netwerk

Access netwerk

Het lokale glasvezelnet (access netwerk) verbindt woningen met de wijkcentrale. Onderweg komen de glasvezelkabels langs distributiepunten (DP’s), kleine passieve verdeeldozen die individuele glasvezels doorverbinden naar afzonderlijke woningen. Tussen DP’s en wijkcentrales bevinden zich Optical Aggregation Points (OAP’s): straatkasten waarin Passive Optical Network-splitters (PON-splitters) zijn ondergebracht. Deze passieve splitters verdelen één inkomende glasvezel uit de wijkcentrale optisch in 16, 32 of 64 uitgaande vezels. Daardoor kunnen meerdere huishoudens dezelfde glasvezelverbinding naar de wijkcentrale delen, waardoor minder centrale apparatuur en minder vezels nodig zijn. In sommige gevallen hebben woningen een directe glasvezelaansluiting op een wijkcentrale en passeren glasvezel dus geen PON-splitters, we spreken dan van een Active Optical Network (AON). Omdat hier onnodig veel glasvezels voor nodig zijn, wordt dit tegenwoordig minder gedaan.

Optical Aggregation Point (OAP)

OAP

Een Optical Aggregation Point (OAP) is een punt in het glasvezelnetwerk waar meerdere glasvezelverbindingen worden samengebracht en doorverbonden richting de wijkcentrale. Een OAP bevindt zich vaak in een straatkast van ongeveer 90×120 cm, waarin passieve PON-splitters zijn ondergebracht. Deze splitters verdelen één inkomende glasvezel uit de wijkcentrale optisch in 16, 32 of 64 uitgaande vezels. Hierdoor kunnen meerdere huishoudens dezelfde glasvezelverbinding naar de wijkcentrale delen, wat het netwerk efficiënter maakt en het aantal benodigde vezels en centrale apparatuur beperkt.

Wijkcentrale

Wijkcentrale

Een wijkcentrale, ook wel een Point of Presence (PoP) of Central Office (CO) genoemd, is een gebouw of technische ruimte waar de glasvezels uit een wijk samenkomen. Hier wordt het passieve glasvezelnet in de straat verbonden met de actieve apparatuur die het dataverkeer ontsluit. De binnenkomende vezels eindigen op grote rekken met aansluitpunten, zogenaamde Optical Distribution Frames (ODF’s), en worden daar aangesloten op apparatuur die past bij het gebruikte glasvezelnetwerk.

In moderne PON-netwerken delen meerdere woningen één glasvezel via PON-splitters in de wijk. In de wijkcentrale worden deze gedeelde verbindingen verwerkt door een Optical Line Terminal (OLT), die de lichtsignalen omzet naar elektrische signalen, PON-specifieke informatie uitleest (zoals tijdslots en ONT-identificatie), en het verkeer bundelt voor verdere doorgifte naar het hogere netwerk.

In oudere AON-netwerken heeft elke woning een eigen, ongesplitste glasvezel naar de wijkcentrale. Deze lijnen komen uit op een ISAM, een access-switch die het verkeer per woning verzamelt. AON wordt in Nederland geleidelijk uitgefaseerd omdat PON efficiënter is en minder fysieke infrastructuur vereist.

In grotere wijkcentrales met veel OLT’s of ISAM’s is vaak een aggregatie-switch aanwezig. Deze bundelt het verkeer van meerdere access-systemen tot grotere datastromen en stuurt dit via snelle verbindingen door naar het metro- of core-netwerk. In kleinere wijkcentrales kan deze aggregatiefunctie elders zijn ondergebracht, bijvoorbeeld in een grotere centrale of metro-hub, waarbij het verkeer eerst via een snelle backhaul wordt afgevoerd.

Backhaul

Backhaul

Backhaul is de verzameling glasvezelverbindingen die het verkeer van lokale knooppunten (zoals wijkcentrales, IoT-gateways of grotere bedrijven) vervoert naar het metro- en core-netwerk. Backhaulverbindingen hebben een veel hogere capaciteit (10 Gbit/s tot 100 Gbit/s en soms zelfs wel 400 Gbit/s) dan de glasvezels in het access netwerk (<10 GBit/s). Een enkele backhaulvezel kan het dataverkeer van honderden tot wel duizenden huishoudens transporteren. Op backhaul-niveau zijn vrijwel altijd alternatieve routes beschikbaar, waardoor het dataverkeer blijft stromen wanneer er bijvoorbeeld ergens een kabel breekt.

Metro-hub

Metro-hub

De metro-hub is een groot stedelijk knooppunt waar het backhaulverkeer uit meerdere wijkcentrales samenkomt. Vanuit kleinere centrales arriveren snelle glasvezelverbindingen die het verkeer van honderden tot duizenden huishoudens tegelijk vervoeren. De metro-hub fungeert daarmee als het “centraal station” van het stadsnetwerk: een plek waar grote datastromen worden samengebracht voordat ze verder worden geleid naar andere delen van de stad of naar het landelijke core-netwerk.

In de metro-hub staat de metro-core, de krachtige router- of switch­apparatuur die bepaalt welke kant het verkeer op moet. Deze apparatuur verwerkt hoge datacapaciteiten en stuurt verkeer door naar andere metro-hubs of richting nationale core-locaties. In sommige metro-hubs staan daarnaast ook aggregatie-switches die verkeer uit kleinere wijkcentrales verzamelen voordat het de metro-core bereikt.

Om al deze grote datastromen efficiënt over glasvezel te vervoeren, wordt vanuit de metro-hub vaak DWDM-techniek gebruikt op de glasvezelverbindingen. Dat maakt het mogelijk om meerdere optische datakanalen over één vezelpaar te versturen, waardoor er veel meer capaciteit beschikbaar is zonder extra kabels aan te leggen. Metro-hubs bevinden zich daarom altijd in beveiligde technische gebouwen waar voldoende ruimte, koeling en noodstroomvoorzieningen aanwezig zijn. Omdat datacenters aan al deze criteria voldoen en bovendien strategisch gelegen zijn binnen (boven-)stedelijke glasvezelnetwerken, zijn metro-hubs vaak bij datacenters ondergebracht.

Kort samengevat is de metro-hub een stevig uitgebouwd knooppunt in het backhaulnetwerk, waar verkeer vanuit de access-laag wordt gebundeld, verwerkt en in hoge snelheid verder wordt geleid naar het nationale core-netwerk en internationale verbindingen.

Core netwerk

Core netwerk

Het core netwerk vormt de landelijke en internationale ruggengraat van het internet. Hier komen de grote datastromen uit meerdere steden en regio’s samen. In core-locaties staan krachtige routers en switches die verkeer op zeer hoge snelheden (100 tot 400 Gbit/s en hoger) verwerken en naar de juiste bestemming sturen. Core-netwerken verbinden stadsnetwerken met elkaar, maar ook met internationale internetknooppunten zoals de AMS-IX en NL-ix. Op deze knooppunten wisselen verschillende providers, cloudaanbieders en grote (tech-)bedrijven hun dataverkeer direct met elkaar uit.

Vanuit het core netwerk loopt internationaal verkeer via speciale carriers en onderzeese glasvezelkabels naar andere landen, waar het opnieuw wordt opgenomen in de lokale en regionale netwerken. Het core netwerk is sterk redundant opgebouwd: door meervoudige routes en ringstructuren kan het dataverkeer vrijwel altijd doorgaan, ook wanneer ergens een verbinding uitvalt. Daarmee vormt het core netwerk de verbinding tussen lokale infrastructuur in steden en het wereldwijde internet.

Landelijke core-locatie

Landelijke core-locatie

Een landelijke core-locatie is een groot nationaal knooppunt waar de grootste datastromen uit verschillende steden en regio’s samenkomen. In deze locaties staan de centrale core-routers en -switches van een provider, die dataverkeer op zeer hoge snelheid verwerken en doorsturen naar andere delen van het land, naar internationale interconnecties of naar internetknooppunten zoals de AMS-IX. Vanuit de metro-hubs lopen meerdere verbindingen naar landelijke core-locaties, waar het verkeer onderdeel wordt van de nationale backbone.

Landelijke core-locaties zijn zwaar beveiligde telecomgebouwen met noodstroom, klimaatbeheersing en uitgebreide redundantie. Ze liggen strategisch langs landelijke glasvezelringen en vormen het hart van de nationale infrastructuur. Door meervoudige verbindingen met andere core-locaties en internationale carriers kan het verkeer vrijwel altijd blijven stromen, ook als er regionaal een storing optreedt.

Internet exchange (IX)

Internet Exchange

Een internet exchange (IX) is een neutrale uitwisseldienst waarmee verschillende netwerkaanbieders, cloudbedrijven, hostingproviders en grote internetdiensten hun netwerken direct met elkaar verbinden. Een IX is geen afzonderlijk gebouw, maar bestaat uit een set krachtige netwerkswitches die zijn ondergebracht in één of meerdere datacenters. In Amsterdam zijn grote IX’s zoals de AMS-IX en NL-ix verspreid over meerdere datacenters, waar zij ruimte huren voor hun apparatuur.

Deelnemende partijen sluiten hun eigen glasvezelverbindingen aan op deze IX-switches via zogeheten cross-connects. De exchange zelf verzorgt uitsluitend het schakelen van dataverkeer op Ethernet-niveau en doet geen routering of inhoudelijke verwerking van data. Door deze directe koppeling kunnen netwerken verkeer onderling uitwisselen zonder via externe transitproviders te gaan, wat zorgt voor kortere routes, lagere vertraging en meer controle over het dataverkeer.

Directe aansluiting op een IX is aantrekkelijk voor partijen voor wie lage latency en voorspelbare netwerkpaden cruciaal zijn, zoals internetproviders, cloudplatformen, CDN’s, streamingdiensten, gamingbedrijven en financiële instellingen. Internet exchanges zijn redundant uitgevoerd en draaien op meerdere locaties tegelijk, zodat verkeer bij storingen automatisch via andere paden kan blijven lopen. Daarmee vormen IX’s compacte maar essentiële knooppunten waar lokale, nationale en internationale netwerken efficiënt met elkaar verbonden worden.

Internationaal core-netwerk

Internationaal core-netwerk

Het internationale core-netwerk bestaat uit de grensoverschrijdende glasvezelverbindingen en routeringsknooppunten die landen en continenten met elkaar verbinden. Deze backbone-verbindingen werken op zeer hoge snelheden: van 100 en 400 Gbit/s tot 800 Gbit/s of meer per optisch kanaal, waarbij DWDM-techniek tientallen van zulke datakanalen tegelijk over één vezelpaar transporteert. In grote internationale hubs, zoals Londen, Frankfurt, Parijs en New York, worden deze datastromen opnieuw samengevoegd, verdeeld en gekoppeld aan de wereldwijde netwerken van andere grote carriers.

In dit netwerkdeel is betrouwbaarheid en redundantie cruciaal. Internationale carriers beheren meerdere parallelle backbone-routes, zodat verkeer automatisch kan worden omgeleid wanneer een verbinding uitvalt. Providers, cloudplatformen en internet exchanges maken allemaal gebruik van dit internationale kernnetwerk om verkeer tussen landen en continenten te vervoeren, waarbij de enorme capaciteit en de robuuste infrastructuur bepalend zijn voor de snelheid en stabiliteit van het mondiale internet.

Carrier hotels

Metro-hub

Een carrier hotel is een groot datacenter dat fungeert als neutrale ontmoetingsplek voor internationale telecomcarriers, internetproviders, cloudplatforms en grote netwerkdiensten. In tegenstelling tot gewone datacenters biedt een carrier hotel uitgebreide interconnectiemogelijkheden: tientallen tot honderden carriers hebben er een Point of Presence (PoP), waarmee ze nationale netwerken koppelen aan internationale backbone-routes. Vanuit één zo’n locatie kan verkeer worden doorgestuurd naar andere carriers, naar onderzeese kabelstations of naar belangrijke internetknooppunten in binnen- en buitenland.

In carrier hotels staan krachtige core-routers, optische transportplatforms en DWDM-systemen die datastromen van honderden gigabits tot terabits per seconde verwerken. Deze gebouwen zijn zwaar beveiligd en redundant uitgevoerd, omdat storingen op dit niveau directe impact hebben op internationale communicatie. Carrier hotels vormen daarmee de essentiële scharnierpunten van het wereldwijde internet: hier wordt bepaald via welke routes verkeer een land of continent binnenkomt, verlaat of wordt doorgegeven aan andere wereldregio’s.

Cable landing point

Zeekabelstation

Een cable landing point, is de plek waar onderzeese glasvezelkabels aan land komen. In deze zwaar beveiligde gebouwen worden de optische signalen uit de zeekabel versterkt, omgezet en gekoppeld aan het internationale en nationale core-netwerk. Cable landing points bevatten gespecialiseerde apparatuur die hoge vermogens en lange afstanden kan verwerken, omdat de signalen duizenden kilometers over de zeebodem hebben afgelegd voordat ze de kust bereiken.

Cable landing points zijn strategisch gelegen aan de kust en zijn verbonden met meerdere glasvezelroutes landinwaarts. Ze vormen de toegangspoort tot internationale dataverbindingen en spelen een sleutelrol in de wereldwijde uitwisseling van internetverkeer. Veel landen hebben meerdere landing stations om redundantie te garanderen en zo de afhankelijkheid van één route te voorkomen.

Subsea-kabels

Subsea-kabels

Subsea-kabels, of onderzeese glasvezelkabels, zijn de intercontinentale dataverbindingen die het grootste deel van het wereldwijde internetverkeer vervoeren. Deze kabels liggen op de oceaanbodem en bestaan uit meerdere glasvezelparen die elk tientallen optische datakanalen kunnen tragen. Moderne subsea-kabels vervoeren daardoor honderden terabits per seconde: per vezelpaar vaak 10 tot 20 Tbit/s, en voor een complete kabel kan de totale capaciteit oplopen tot 100–300 Tbit/s of zelfs meer bij de nieuwste generaties.

Bij deze afstanden worden technieken zoals DWDM en onderzeese optische versterkers toegepast om signalen duizenden kilometers stabiel te houden. Omdat satellietverbindingen veel te traag en te beperkt zijn voor dit soort datavolumes, vormt de onderzeese infrastructuur de ruggengraat van internationale digitale communicatie. Subsea-kabels worden daarom voortdurend bewaakt, onderhouden en beschermd, zodat financiële transacties, cloudservices, videostreaming en algemene internetcommunicatie dag en nacht betrouwbaar kunnen plaatsvinden.

Regionaal datacenter

Regionaal datacenter

Een regionaal datacenter is een groot technisch gebouw waarin servers van bedrijven, overheden, providers en andere organisaties zijn ondergebracht. Het biedt een veilige omgeving met betrouwbare stroomvoorziening, koeling en snelle netwerkverbindingen. Regionale datacenters bevinden zich doorgaans in de backhaul van het netwerk en zijn vaak direct gekoppeld aan metro-hubs. Hierdoor vormen ze belangrijke regionale knooppunten waar dataverkeer uit de stad wordt verzameld en verder het netwerk in wordt geleid.

In veel regionale datacenters bevinden zich ook CDN-edge nodes van partijen als Cloudflare, Akamai, Fastly of Netflix. Dit zijn servers die veelgevraagde content lokaal opslaan zodat gebruikers die snel en zonder internationale dataroutes kunnen laden. CDN’s verlagen de belasting op het landelijke en internationale core-netwerk en zorgen voor hogere snelheid en betere stabiliteit. Hoewel CDN-edge servers vaak in regionale datacenters staan, kunnen ze ook in datacenters van internetproviders zelf zijn ondergebracht om nog dichter bij eindgebruikers te staan.

Cloud-datacenters

Cloud-datacenters

Een cloud-datacenter is een grootschalige infrastructuurlocatie van een hyperscaler zoals AWS, Microsoft Azure of Google Cloud. Hier draaien virtuele servers, databases, opslagplatformen, AI-modellen en andere clouddiensten die door bedrijven en overheden worden gebruikt. Dit type datacenter is ontworpen om wereldwijd verkeer te verwerken en is daarom verbonden met internationale carriers, grote internet exchanges en nationale core-netwerken.

Cloud-datacenters zijn verbonden met het landelijke core-netwerk, grote internetknooppunten (IX’s) en internationale carriers. Zo kunnen gebruikers vanuit heel Nederland—en vaak vanuit heel Europa—met lage latency en hoge capaciteit de cloud bereiken. Omdat cloudplatforms wereldwijd verspreide regio’s hebben, vormt deze laag een belangrijke schakel tussen lokale netwerken, nationale backbones en internationale internettrafiek.

Antennes (4G/5G)

Antenne (4G/5G)

Antennes vormen de zichtbare toegangspoorten tot het mobiele datanetwerk. Ze zijn geplaatst op masten, daken of gevels en zenden en ontvangen radiosignalen van smartphones, sensoren en andere mobiele apparaten. Via deze antennes krijgen gebruikers draadloze toegang tot het internet en andere mobiele diensten. Het antennenetwerk vormt de overgang van het draadloze radionetwerk naar het vaste glasvezelnetwerk. Het dataverkeer van de antennes wordt via mobiele backhaulverbindingen afgevoerd naar metro-hubs of andere centrale netwerklocaties, meestal over glasvezel, maar in sommige gevallen ook via draadloze straalverbindingen tussen antennelocaties.

Op één antennelocatie zijn vaak meerdere antennesystemen aanwezig. Verschillende mobiele netwerkproviders plaatsen hier hun eigen antennes en apparatuur, ieder met een eigen netwerk en frequenties. Ook communicatienetwerken voor hulpdiensten, zoals het C2000-netwerk voor politie, brandweer en ambulance, maken gebruik van antennelocaties die ruimtelijk vaak worden gedeeld maar technisch gescheiden functioneren.

Mobiele backhaul

Mobiele backhaul

Mobiele backhaul is de glasvezelverbinding die een 4G- of 5G-basisstation verbindt met het vaste datanetwerk. Via deze verbinding worden radiosignalen van mobiele telefoons en andere apparaten omgezet in IP-dataverkeer en doorgestuurd naar de metro-hub. Anders dan vaste backhaul moet mobiele backhaul niet alleen hoge capaciteit leveren, maar ook strikte timing en lage latency ondersteunen, omdat 4G- en vooral 5G-masten nauwkeurig gesynchroniseerd moeten blijven.

Mobiele backhaul vormt daarmee de brug tussen het draadloze radionetwerk (RAN) en het glasvezelnetwerk in de stad. Wanneer een mast grote aantallen gebruikers bedient — zoals bij stations, stadions of drukke knooppunten — kan één enkele backhaulverbinding tientallen gigabits per seconde aan verkeer vervoeren. Dankzij redundante routes kan het mobiele dataverkeer blijven functioneren als ergens een kabel beschadigd raakt.

Internet of Things sensoren

IoT-sensor

IoT-sensoren zijn kleine meetapparaten die gegevens verzamelen uit de fysieke omgeving. In steden meten ze bijvoorbeeld verkeer, luchtkwaliteit, geluid, trillingen, energiegebruik of de vulgraad van vuilcontainers. De sensoren zijn ontworpen om zuinig en draadloos te communiceren en maken gebruik van protocollen zoals LoRa, NB-IoT, Zigbee of Bluetooth Mesh. Deze technieken hebben een beperkt bereik of laag dataverbruik, waardoor de sensoren niet rechtstreeks op het internet zijn aangesloten.

Afhankelijk van de gebruikte technologie bedient één sensor een enkele locatie, een straat of onderdeel van een object (zoals een brug of gebouw). De verzamelde gegevens worden doorgestuurd naar een IoT-gateway of mobiele mast, waar het verkeer wordt omgezet naar IP en verder het netwerk in wordt geleid.

Internet of Things gateways

IoT-gateway

Een IoT-gateway vormt de schakel tussen lokale sensornetwerken en het digitale datanetwerk. De gateway ontvangt radiosignalen of veldbusberichten van meerdere sensoren, bundelt deze en zet ze om naar IP-dataverkeer. Dit omgezette verkeer wordt vervolgens via een vaste of mobiele verbinding doorgestuurd naar het publieke netwerk, meestal richting een wijkcentrale of regionaal datacenter.

IoT-gateways opereren op verschillende schaalniveaus, afhankelijk van de gebruikte technologie. Bij Zigbee of gebouw-IoT bedienen ze vaak één gebouw of straat; bij LoRa kunnen ze een hele wijk of zelfs een stadsdeel bestrijken. Zo vormen IoT-gateways een cruciale toegangspoort voor smart city-toepassingen, monitoring van vitale infrastructuur en industriële automatisering.

Sensorlink (IoT-sensorverbinding)

Sensorlink

De sensorlink is de draadloze verbinding tussen een IoT-sensor en de IoT-gateway en maakt gebruik van zuinige communicatietechnieken zoals LoRa, NB-IoT, Zigbee of Bluetooth Mesh. Deze verbinding is alleen bedoeld om kleine hoeveelheden meetgegevens naar de gateway te sturen; pas daar worden ze omgezet naar IP-verkeer. Afhankelijk van de gebruikte techniek varieert het bereik van enkele tientallen meters tot meerdere kilometers.

Operational Technology (OT)

Operational Technology

Operational Technology (OT) omvat de besturingsapparatuur die direct gekoppeld is aan fysieke infrastructuur, zoals bruggen, sluizen, pompen, verkeersinstallaties, transformatorstations en industriële machines. Dit domein bevat onder meer Programmable Logic Controllers (PLC’s), Remote Terminal Units (RTU’s), veldsensoren en actuatoren. OT-netwerken zijn strikt gescheiden van het publieke internet en staan volledig in dienst van veilige en betrouwbare bediening van vitale processen.

Bedieningscentra infrastructuur

SCADA-regelstation

Een bedieningscentrum infrastructuur is de plek waar vitale stedelijke systemen zoals bruggen, sluizen, gemalen, verkeersinstallaties en tunnels worden bewaakt en aangestuurd. Vanuit dit centrum ontvangen operators continu gegevens uit het veld en kunnen zij ingrijpen wanneer dat nodig is, bijvoorbeeld door een brug te openen, een pomp in te schakelen of verkeersstromen te reguleren.

Technisch gezien gebeurt deze aansturing via SCADA-systemen (Supervisory Control and Data Acquisition), die speciaal zijn ontworpen voor veilige en betrouwbare bediening van fysieke infrastructuur. Deze systemen staan los van het publieke internet en communiceren via afgeschermde netwerken met de onderliggende besturingsapparatuur. Het bedieningscentrum vormt daarmee de menselijke en digitale schakel tussen de stad en haar vitale infrastructuur.

Process Control Network

Process Control Network

Het Process Control Network (PCN) is het afgeschermde netwerk waarmee veldapparatuur uit het OT-domein communiceert met de SCADA-regelstations. Dit netwerk transporteert statusinformatie, alarmsignalen en bedieningscommando’s en bestaat vaak uit dedicated glasvezelverbindingen, private netwerken of redundante industriële protocollen. De verbinding is strikt gescheiden van reguliere IT-netwerken omdat fouten of aanvallen directe fysieke gevolgen kunnen hebben.

OT DMZ

OT DMZ

Een Operational Technology Demilitarized Zone (OT DMZ) is de streng beveiligde verbinding tussen het SCADA-domein en het reguliere datanetwerk. Via deze tussenlaag—met firewalls, protocoldompers of datadiodes—kan een beperkte set OT-gegevens veilig worden doorgestuurd voor bijvoorbeeld monitoring, digital twins, onderhoud of data-analyse. Bediening van OT blijft altijd binnen het SCADA-domein; alleen gezuiverde of gerepliceerde data mag richting het IT-netwerk.

Peering-link

Peering-link

Een peering-link is de directe netwerkverbinding tussen twee zelfstandige netwerken die verkeer zonder tussenkomst van een derde partij met elkaar willen uitwisselen. Deze verbindingen worden gelegd in een internet exchange (IX), waar partijen hun eigen apparatuur aansluiten op de switches van de exchange. Via een peering-link kunnen internetproviders, cloudplatforms, hostingbedrijven en grote internetdiensten elkaar direct bereiken. Dat verkort de route die dataverkeer aflegt, vermindert afhankelijkheid van transitproviders en verlaagt de latency voor eindgebruikers.

Peering-links werken op zeer hoge snelheden — doorgaans 10, 40, 100, 400 of 800 Gbit/s — en maken gebruik van optische core-verbindingen binnen een datacenter. Omdat verkeer via peering-links direct tussen partijen wordt uitgewisseld, vormen ze een belangrijk onderdeel van het nationale en internationale core-netwerk. Grote cloudaanbieders, streamingdiensten en contentplatforms gebruiken peering-links intensief om hun diensten snel en betrouwbaar bij gebruikers te krijgen, terwijl providers dankzij peering hun netwerken efficiënter en stabieler kunnen houden.

Universiteiten

Universiteiten

Universiteiten produceren nieuwe kennis door fundamenteel en toegepast wetenschappelijk onderzoek. Ze genereren grote hoeveelheden informatie in de vorm van publicaties, datasets, experimenten en theoretische inzichten. Tegelijkertijd consumeren ze mondiale en nationale kennis om onderwijs te geven, onderzoek te sturen en maatschappelijke vragen te beantwoorden.

Universiteiten vormen de bovenste lagen van het kennisecosysteem: ze creëren inzichten die doorwerken tot in nationale of zelfs mondiale innovatieprogramma’s en uiteindelijk toepassingen in bedrijven en huishoudens.

Onderzoeksinstituten

Onderzoeksinstituten

Onderzoeksinstituten genereren specialistische kennis op hoog niveau. Ze produceren informatie via experimenten, labonderzoek, modellering en data-analyse en dragen bij aan wetenschappelijke en technologische vooruitgang. Ze consumeren input uit universiteiten, bedrijven en internationale consortia om gerichte vraagstukken op te lossen.

Onderzoeksinstituten functioneren als kennisversterkers binnen het ecosysteem: ze vertalen fundamentele inzichten naar bruikbare concepten en ondersteunen onderwijs, beleidsvorming en innovatie.

Reguleringsautoriteiten

Reguleringsautoriteiten

Reguleringsautoriteiten beoordelen, valideren en normeren informatie. Ze produceren richtlijnen, standaarden en besluiten op basis van grote hoeveelheden onderzoeksdata, rapporten en risicomodellen. Ze consumeren kennis uit wetenschap, industrie en maatschappelijke bronnen en verwerken deze tot toetsbare regelgeving. Daarmee vormen ze een essentiële schakel die de kwaliteit, veiligheid en betrouwbaarheid van informatie en producten waarborgt binnen het bredere ecosysteem.

Incubatie- en valorisatiecentra

Incubatie- en valorisatiecentra

Incubators en valorisatiecentra helpen nieuwe ideeën om te groeien tot toepasbare producten, diensten en bedrijven. Ze produceren ondernemerschapskennis, prototypen, businessmodellen en netwerkverbindingen. Tegelijkertijd consumeren ze kennis uit universiteiten, onderzoek en maatschappelijke behoeften om innovatie te versnellen. Ze verbinden kenniscreatie met de markt en zorgen dat (door onderwijsinstellingen uitgevoerd) onderzoek daadwerkelijk zijn weg vindt naar toepassingen in de samenleving.

Corporate R&D

Corporate R&D

Corporate Research and Development-afdelingen ontwikkelen nieuwe technologieën, producten en methoden voor strategisch voordeel. Ze produceren bedrijfsspecifieke kennis, algoritmes, prototypen en engineeringoplossingen en consumeren onderzoeksresultaten, marktdata en gebruikersinformatie. Ze vormen de motor van technologische vernieuwing binnen het bedrijfsleven en verbinden wetenschap met schaalbare markten in het totale informatie-ecosysteem.

Hogescholen

Hogescholen

Hogescholen produceren praktijkgericht onderzoek en beroepskennis. Ze genereren informatie in de vorm van pilots, toegepaste studies, handleidingen en praktijkstandaarden. Ze consumeren inzichten uit wetenschap, overheid en bedrijfsleven en vertalen die naar direct toepasbare beroepscompetenties. Hogescholen vormen de schakel tussen theorie en uitvoering en zorgen dat kennis landt in sectoren zoals zorg, techniek, onderwijs en economie.

Toegepaste innovatieplekken

Toegepaste innovatieplekken

Toegepaste innovatieplekken ontwikkelen concrete oplossingen voor stedelijke, technische en maatschappelijke vraagstukken. Ze produceren informatie in de vorm van prototypes, pilots, meetgegevens en praktische werkwijzen. Ze consumeren kennis uit universiteiten, hogescholen, bedrijven en bewonerspraktijk. Ze vormen de praktijklaboratoria van de stad waar kennis wordt omgezet in direct bruikbare toepassingen en processen.

Archieven, musea en bibliotheken

Archieven en bibliotheken

Archieven, musea en bibliotheken bewaren, ordenen en ontsluiten grote hoeveelheden informatie. Ze produceren kennis door collecties te contextualiseren, metadata te maken en bronnen toegankelijk te houden. Ze consumeren informatie uit overheid, samenleving, wetenschap en media. Als publieke kennispoorten zorgen ze ervoor dat historische en actuele informatie voor iedereen vindbaar en bruikbaar is.

Consultancy-bedrijven

Consultancy-bedrijven

Consultancy-bedrijven analyseren vraagstukken van opdrachtgevers en vertalen hun onderzoeksresultaten naar adviezen. Ze produceren kennis in de vorm van rapporten, modellen, evaluaties en aanbevelingen. Ze consumeren onderzoeksdata, bedrijfsinformatie, beleidskaders en marktkennis. Ze fungeren als kennisverwerkers die inzichten uit verschillende lagen van het ecosysteem bundelen en toepasbaar maken voor organisaties.

Middelbare scholen

Middelbare scholen

Middelbare scholen consumeren kennis uit het nationale onderwijsprogramma en uit vakdisciplines en zetten dit om in kennis en vaardigheden voor jongeren. Ze vormen een cruciale tussenlaag in het ecosysteem waar basiskennis uit wetenschap en cultuur wordt ingezet voor de vorming van toekomstige professionals en burgers.

Creatieve werkplaatsen

Creatieve werkplaatsen

Creatieve werkplaatsen produceren kennis door experiment, ambacht en artistieke praktijk. Ze genereren nieuwe ideeën, technieken en materialen en consumeren inspiratie, culturele kennis en lokale ervaringen. Ze vormen een belangrijke informele plek waar praktische, artistieke en materiële kennis wordt ontwikkeld en gedeeld.

Basisscholen

Basisscholen

Basisscholen zijn de plek waar kinderen de eerste kennis en vaardigheden uit nationale lesprogramma’s wordt aangeleerd. Ze leggen een kennisfundament waar op de middelbare school op kan worden doorgebouwd.

Buurthuizen

Buurthuizen

Buurthuizen zijn een plek in de buurt waar mensen makkelijk binnen kunnen lopen om praktische kennis en vaardigheden op te doen, bijvoorbeeld via workshops, cursussen, ontmoetingen en informele leeractiviteiten. Ze faciliteren de uitwisseling van ervaringen en vaardigheden tussen buurtbewoners.

Third Places

Third Places

Third Places (zoals koffietentjes, cafés en co-workingplekken) faciliteren informele kennisuitwisseling. Mensen wisselen er op informele wijze informatie uit.

Niet-commerciële kennisuitwisseling

Niet-commerciële kennisuitwisseling

Niet-commerciële kennisuitwisseling draait om het vrijwillig delen van ervaringen, verhalen, ambachtelijke kennis of praktische tips zonder financieel motief. Deze informatie wordt uitgewisseld in buurthuizen, bibliotheken, scholen en culturele instellingen, maar vaker op niet specifiek daarvoor bedoelde plekken zoals bij iemand thuis met een verjaardag, of tijdens toevallige ontmoetingen in de buurt. Het voordeel van niet-commerciële kennisuitwisseling is dat kennis vrij kan stromen doordat er geen financiële barrière is die uitwisseling hindert.

Deze informele laag vormt het sociale fundament van het kennisecosysteem: lokale expertise en dagelijkse knowhow reizen via gesprekken, interacties en gedeelde ervaringen, waardoor kennis van persoon tot persoon door de stad beweegt.

Commerciële kennisuitwisseling

Commerciële kennisuitwisseling

Commerciële kennisuitwisseling vindt plaats wanneer bedrijven, consultants, startups en onderzoekers informatie delen in ruil voor geld. Dit type uitwisseling zorgt er door de aanwezigheid van een financiële prikkel voor dat meer informatie geproduceerd wordt in de vorm van analyses, prototypes, marktinzichten, algoritmes en intellectueel eigendom.

Door vraaggestuurde samenwerking ontstaan nieuwe producten, diensten en technologieën die via markten, contracten en bedrijfsnetwerken hun weg vinden naar gebruikers en organisaties binnen het bredere ecosysteem.

Samenwerking

Samenwerking

Samenwerking tussen universiteiten en kennisinstituten zorgt ervoor dat fundamenteel onderzoek direct verbonden blijft met de praktijk. Universiteiten produceren kennis die in gezamenlijke projecten, labs en consortia wordt getest, verrijkt en toegepast. Tegelijkertijd consumeren ze praktijkervaring, technische inzichten en maatschappelijke vragen die partners inbrengen.

Deze wederkerige stroom zorgt ervoor dat onderzoek maatschappelijk relevant blijft en dat nieuwe wetenschappelijke inzichten sneller hun weg vinden naar concrete toepassingen, innovaties en beleidsontwikkeling.

Valorisatie

Valorisatie

Valorisatie is het proces waarbij wetenschappelijke kennis wordt omgezet in maatschappelijke of economische waarde. Onderzoeksinstellingen hebben vaak speciale valorisatiecentra en nauwe banden met incubatiecentra om te zorgen dat kennis haar weg vindt naar toepassingen in bedrijven, overheid en samenleving. Tegelijkertijd levert deze praktijk terugkoppeling op in de vorm van gebruikerservaringen en sectorbehoeften, waardoor toekomstig onderzoek beter aansluit op de werkelijkheid.